Vader zit op de bank en geeft zijn slapende baby in een lichtblauw pakje een kus op het hoofdje

Je baby sliep eindelijk wat langere stukken en jullie avonden kregen weer een beetje rust. En dan wordt je kleintje ineens weer elk uur wakker, alsof iemand de klok een paar maanden heeft teruggezet.

Dat wordt vaak slaapregressie genoemd. Je baby slaapt tijdelijk slechter terwijl het eerder juist beter ging, meestal in een periode waarin je kind veel nieuwe dingen leert. Meestal gaat het vanzelf weer over. Hieronder lees je wat er gebeurt, rond welke leeftijden je het kunt merken en wat helpt.

Wat is slaapregressie precies?

Eerst iets eerlijks. Slaapregressie is geen medische diagnose en geen officiële term uit de jeugdgezondheidszorg.

We hebben de Nederlandse bronnen naast elkaar gelegd. CJG Rijnmond, een organisatie voor jeugdgezondheidszorg, gebruikt de term wel en beschrijft het als een tijdelijke terugval in slaap tijdens een ontwikkelingssprong. In de nieuwe JGZ-richtlijn Slaap (2026) van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid komt het woord niet voor. Ook het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), Thuisarts en VeiligheidNL gebruiken het niet.

De richtlijn zegt wel dat leren slapen een proces van oefenen is, waarbij bepaalde fasen gewoon horen. Een vast schema met regressies op precies 4, 8 of 12 maanden staat in geen van deze bronnen. Zie de leeftijden hieronder dus als momenten waarop het vaker kan gebeuren.

Waarom je baby ineens slechter slaapt

Korte slaapcycli

Slaap bestaat uit cycli, rondjes van lichte en diepere slaap. Bij een baby duurt zo’n cyclus ongeveer 45 minuten, pas rond 5 jaar is dat anderhalf uur. Tussen twee cycli wordt iedereen kort wakker. Een volwassene merkt dat meestal niet, een baby soms wel.

In de actieve slaap kan je baby bewegen, geluidjes maken en de oogjes half openen, terwijl hij nog slaapt. Rond 6 maanden verandert de opbouw van de slaap en gaat die meer lijken op die van oudere kinderen.

Nieuwe dingen leren

Rollen, zitten, kruipen, staan, en steeds bewuster worden van alles om je heen. Dat kost energie en kan onrust geven. Baby’s verwerken in hun slaap wat ze overdag meemaken en worden soms bang of huilend wakker.

Scheidingsangst en eenkennigheid

Scheidingsangst betekent dat je kind bang wordt en gaat huilen als jij weggaat. Dat begint meestal vanaf zes maanden en kan doorgaan tot in het derde levensjaar. Eenkennigheid, angstig zijn bij onbekenden, ontstaat bij de meeste kinderen tussen 9 en 12 maanden. Allebei horen bij een groeiende band met jou, maar alleen in bed liggen voelt dan minder fijn.

Dutjes die veranderen

Het aantal dutjes neemt af naarmate je kind ouder wordt. Te weinig dagslaap maakt je kind oververmoeid, waardoor het lichaam het stresshormoon cortisol aanmaakt en je kind juist wakker blijft. Te veel dagslaap kan ervoor zorgen dat de slaap midden in de nacht op is. Ook een doorkomend tandje bij je baby, honger of ziek zijn kunnen de nachten tijdelijk onrustiger maken.

Vermoeide baby gaapt op schoot bij een ouder in een schemerige kamer

Wanneer slaapregressie kan optreden, per leeftijd

In deze tijdlijn staan alleen ontwikkelingen die Nederlandse JGZ-bronnen beschrijven. Bij jouw kind kan het eerder, later of helemaal niet opvallen. Hoeveel slaap normaal is, lees je in ons overzicht van babyslaap per leeftijd.

LeeftijdWat er in de ontwikkeling gebeurtWat je kunt merken
Rond 4 maandenNa 3 maanden groeien het dag- en nachtritme en de zelfregulatie. Het eigen slaaphormoon melatonine wordt tot rond 6 maanden stabieler. Vanaf 3 maanden kunnen baby’s beginnen met omrollen.Slaapjes in korte cycli, waarna je baby wakker kan worden. Veel baby’s hebben jou nog nodig om in slaap te vallen, bijvoorbeeld door wiegen of vasthouden.
8 tot 10 maandenScheidingsangst (vanaf 6 maanden) en eenkennigheid (vanaf ongeveer 9 maanden). Je baby leert herkennen hoe jij reageert rond bedtijd. Na ongeveer 9 maanden meestal 2 dutjes per dag.Je baby vindt het niet leuk om ‘s avonds alleen te zijn en gaat niet meer rustig liggen. Soms dromen, wakker worden of huilen.
Rond 12 maandenGemiddeld 8 tot 9 uur achter elkaar slapen. Rond 1 jaar vaak nog maar 1 middagslaapje van 1,5 tot 2 uur. Eenkennigheid komt het meest voor tussen 1 en 2 jaar.De overgang naar 1 dutje kan even zoeken zijn. Een laatste dutje dat te vroeg of te laat valt, maakt de nacht vaak onrustiger.
18 maandenJe kind krijgt besef dat het invloed heeft. Er ontstaan nieuwe angsten, zoals angst voor het donker, en verlatingsangst.Rond anderhalf jaar wordt ongeveer een derde van de kinderen ‘s nachts wakker. Soms huilend. Sommige kinderen hebben overdag al geen slaap meer nodig.
2 jaarJe kind wil steeds meer zelf doen. Bijna 90 procent van de tweejarigen slaapt overdag nog.Bedtijd oprekken, bang zijn in het donker, enge dromen. Moeilijker inslapen ‘s avonds kan betekenen dat het middagslaapje minder nodig is.

Een kanttekening bij de bekende slaapregressie rond 4 maanden. Geen van de bronnen noemt precies die leeftijd, maar ze beschrijven wel dat er tussen 3 en 6 maanden veel verandert in het slaapritme.

Bij een slaapregressie rond 8 maanden, 1 jaar, 18 maanden of 2 jaar spelen vaak meerdere dingen tegelijk, zoals scheidingsangst, een eigen wil en dutjes die veranderen. Onrustige dagen rond een groeispurt herken je misschien uit ons artikel over regeldagen bij je baby.

Peuter met blond haar slaapt rustig in een eigen bed onder een zachte deken

Wat helpt je baby tijdens een slaapregressie

Er is geen trucje dat een slaapregressie laat verdwijnen, maar je kunt je kind wel houvast geven. Deze adviezen komen uit de JGZ-richtlijn, het NJi en CJG Rijnmond.

  • Houd je bedritueel vast. Een rustig ritueel van 20 tot 30 minuten, elke avond in dezelfde volgorde.
  • Let op slaapsignalen. Gapen, wegkijken, in de oogjes wrijven of juist druk worden. Leg je kind in bed voordat het oververmoeid raakt.
  • Zorg overdag voor daglicht en beweging. Buiten zijn, vooral ‘s ochtends, helpt het slaap-waakritme.
  • Maak het rustig voor bedtijd. Geen schermen en geen wilde spelletjes vlak voor bedtijd.
  • Houd de nacht saai. Donker, kort troosten en terugleggen in het eigen bedje.
  • Kijk eerst even aan. Pruttelen hoort erbij. Wordt het huilen harder, aai je kind of ga naast het bedje zitten. Blijft je kind overstuur, pak het dan op en leg het daarna terug.
  • Reageer steeds op dezelfde manier. Dan weet je kind waar het aan toe is.
  • Oefen overdag met afscheid. Kiekeboe spelen of even de kamer uit en weer terug helpt bij scheidingsangst.
  • Leg je kind slaperig maar nog wakker in bed. Wiegen en sussen mag, en dat kun je langzaam afbouwen als het slapen weer beter gaat.

Wat je beter niet doet

  • Elke nacht iets anders proberen. Dat geeft je kind onrust.
  • Je kind laten inslapen op de bank of in je armen en het slapend overleggen. Wakker worden op een andere plek kan verwarrend zijn.
  • Een slaaptraining met laten huilen bij een baby onder de 6 maanden. Jonge baby’s hebben jouw nabijheid nodig om rustig te worden.
  • White noise hard of de hele nacht aanzetten. Er is geen duidelijk bewijs dat het helpt. Gebruik je het toch, dan zacht, kort en minstens 30 centimeter van het bedje.
  • Een slaapsensor of alarmmatje kopen voor een gezonde baby. Dat voorkomt wiegendood niet en geeft vaak onnodige paniek.

Veilig slapen, ook als je doodmoe bent

Juist in onrustige periodes is de verleiding groot om je baby maar bij je in bed te nemen. Toch blijft het eigen bedje de veiligste plek, zeker bij baby’s jonger dan 4 maanden. Vermoeidheid maakt het risico dat je op je baby rolt juist groter.

VeiligheidNL vat de adviezen uit de JGZ-richtlijn Preventie wiegendood samen in De 4 van Veilig Slapen.

  • Leg je baby op de rug.
  • Laat je baby in een eigen bedje of wieg slapen, het eerste halfjaar het liefst dicht bij jouw bed.
  • Gebruik een goed passende slaapzak.
  • Houd het bedje leeg, dus geen grote knuffels, nestjes, kussens of hoofdbeschermers. Een klein knuffeldoekje zonder vulling mag wel.

Oefent je baby met omrollen? Een slaapzak maakt het moeilijker om naar de buik te draaien. Zodra je baby zelf makkelijk van rug naar buik en weer terug kan draaien, mag het zelf zijn houding kiezen. Geef je ‘s nachts voeding in je eigen bed, zet dan een timer zodat je eraan denkt je baby terug te leggen in het eigen bedje.

Moeder houdt haar baby dicht tegen zich aan bij het raam in een donkere kamer

Vergeet jezelf niet

Een baby die slecht slaapt, betekent ook een ouder die slecht slaapt. Rust overdag als je kind slaapt. Heb je een partner, zorg dan om de beurt een paar uur voor je kind, of vraag iemand om even op te passen. Meer over het ritme in de eerste maanden lees je in ons overzicht over het eerste jaar met je baby.

Wanneer neem je contact op met het consultatiebureau

Maak je je zorgen, dan mag je altijd bellen. Doe het in elk geval als

  • je kind ouder is dan 6 maanden en al 4 weken vaker dan 3 keer per nacht wakker wordt
  • inslapen vanaf 6 maanden steeds langer dan een half uur duurt, of je kind ‘s nachts langer dan een half uur wakker ligt zonder zelf weer in slaap te vallen
  • je baby meer dan 3 uur per dag huilt, 3 dagen of meer per week, 3 weken lang
  • je peuter meer dan 3 nachten per week snurkt met adempauzes
  • je merkt dat je het zelf niet meer volhoudt of je somber of angstig voelt

Lijkt je kind ziek of heeft het pijn, neem dan contact op met de huisarts.

Veelgestelde vragen over slaapregressie

Hoe lang duurt een slaapregressie?

Daar is geen vaste duur voor bekend. Het NJi schrijft dat problemen met slapen meestal tijdelijk zijn en na een aantal weken of maanden vanzelf verdwijnen. CJG Rijnmond zegt dat het overgaat zodra je kind gewend is aan de nieuwe fase.

Bestaat er ook een slaapregressie rond 6 maanden?

Een aparte slaapregressie van 6 maanden wordt in de bronnen niet genoemd. Wel verandert er rond die leeftijd veel. De slaapopbouw gaat meer op die van oudere kinderen lijken en scheidingsangst begint meestal vanaf zes maanden.

Mag ik mijn baby laten huilen tijdens een slaapregressie?

Bij baby’s onder de 6 maanden adviseert de JGZ-richtlijn om te reageren en te troosten, omdat ze jouw nabijheid nodig hebben. Voor oudere kinderen bestaan rustige methoden waarbij je steeds even wacht of naast het bed blijft zitten. Die kies je het best samen met het consultatiebureau.

Bronnen: JGZ-richtlijn Slaap, Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (2026); CJG Rijnmond, Baby’s en slapen; Nederlands Jeugdinstituut, Baby en slapen; NJi, Scheidingsangst; VeiligheidNL, De 4 van Veilig Slapen; Thuisarts, Mijn baby huilt. Dit artikel is bedoeld als algemene informatie en vervangt geen medisch advies. Twijfel je over je kind, neem dan contact op met het consultatiebureau of je huisarts.

Laatst bijgewerkt: oktober 2026.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *